Wie zijn spaargeld bij zijn huisbank laat staan, krijgt vaak niet meer dan 1,25 tot 1,50 procent rente. Wie een beetje gaat shoppen kan al snel rond de 3 procent krijgen. Een andere spaarrekening, deposito of buitenlandse bank kan daardoor honderden euro’s per jaar extra rente opleveren.
We pluizen aanbiedingen uit, rijden om voor goedkopere benzine en stappen zelfs in de bus naar Duitsland voor goedkopere boodschappen en drogisterijartikelen.
Ondertussen staat er ruim 550 miljard euro op Nederlandse spaarrekeningen. Een flink deel daarvan levert nauwelijks rente op. Wie ook met zijn spaargeld gaat shoppen, kan al snel honderden euro’s per jaar extra verdienen.
Een renteverschil van 0,75 procentpunt levert op 50.000 euro spaargeld al 375 euro per jaar op. Daar staat soms iets tegenover: minder flexibiliteit, extra administratie of een buitenlands depositogarantiestelsel. Waar valt zonder veel extra risico nog rente te halen?
1. Kijk eerst naar een andere spaarrekening
De eenvoudigste stap is het vergelijken van Nederlandse spaarrekeningen. Bij de grootbanken ligt de vrij opneembare spaarrente momenteel grofweg rond 1,25 tot 1,50 procent. Andere Nederlandse banken betalen structureel meer. Anadolubank biedt bijvoorbeeld 1,90 procent en Ayvens Bank 1,85 procent.
In de jacht op je spaargeld stunten daarnaast veel banken met tijdelijke actierentes. Die kunnen een stuk hoger liggen, maar gelden vaak maar enkele maanden of onder specifieke voorwaarden. Reken een actierente daarom altijd terug naar wat die over een heel jaar oplevert en kijk ook naar het tarief dat daarna geldt.
Neem Nexent Bank. Nieuwe klanten krijgen drie maanden 3,10 procent rente. Daarna geldt het reguliere tarief van 1,25 procent. Wie een jaar lang hetzelfde bedrag laat staan, komt daarmee uit op gemiddeld ongeveer 1,72 procent rente.
Bij Bunq zit de beperking niet in de looptijd, maar in het bedrag waarover de hogere rente wordt vergoed. De bank betaalt 3,01 procent bonusrente alleen over het deel van het spaargeld dat boven een persoonlijke drempel uitkomt. Die drempel is gebaseerd op het hoogste spaarsaldo in de voorafgaande zes maanden. Over het bedrag tot die grens geldt de lagere basisrente van 1,51 procent.
Anadolubank, Garanti BBVA en Nexent Bank zijn van Turkse oorsprong, maar hun Nederlandse spaarrekeningen vallen onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Spaargeld is daarmee in beginsel tot 100.000 euro per persoon per bank beschermd. Bij een gezamenlijke rekening kan die bescherming oplopen tot 200.000 euro.
Let daarbij op dat de garantie per bankvergunning geldt en niet per merknaam. Wie spaargeld spreidt over verschillende merken die onder dezelfde bankvergunning vallen, vergroot zijn bescherming dus niet.
2. Zet geld dat je kunt missen vast
Wie een deel van zijn spaargeld langere tijd kan missen, kan met een deposito meer rente krijgen. ABN Amro betaalt momenteel 2,25 procent voor één jaar en Rabobank 1,65 procent. Bij kleinere Nederlandse banken liggen de tarieven hoger. Nexent Bank zit rond 2,50 procent, Anadolubank op 3,10 procent en Garanti BBVA op 3,15 procent.
Veel langer vastzetten levert momenteel opvallend weinig extra op. Bij Garanti stijgt het tarief van 3,15 procent voor één jaar naar 3,40 procent voor vijf jaar. Bij ABN Amro loopt de rente over dezelfde looptijden op van 2,25 naar 2,75 procent. Vier jaar extra vastzetten levert dus respectievelijk slechts 0,25 en 0,50 procentpunt extra rente per jaar op. Dat beperkte verschil kan erop wijzen dat banken rekening houden met lagere rentes in de komende jaren.
Voor de spaarder heeft langer vastzetten twee kanten. Daalt de rente inderdaad, dan blijft het afgesproken tarief gedurende de looptijd staan. Stijgt de rente onverwacht, dan profiteer je niet mee van nieuwe, hogere depositorentes.
Daar komt bij dat tussentijds opnemen meestal niet of alleen onder strikte voorwaarden mogelijk is. Ook geldt bij sommige deposito’s een minimale inleg.
Bij grotere bedragen is soms meer mogelijk. Wie enkele tonnen wil vastzetten, kan daarom vragen of een hoger tarief mogelijk is. Private banken werken bij zulke deposito’s soms met individuele tarieven, al wordt die onderhandelingsruimte doorgaans niet expliciet geadverteerd.
3. Kijk over de grens, maar let op belasting en garantiestelsel
Ook buitenlandse spaarrekeningen zijn steeds makkelijker toegankelijk. Nederlandse spaarders kunnen rechtstreeks terecht bij buitenlandse aanbieders, zoals het Spaanse Openbank en het Duitse Trade Republic, of gebruikmaken van een bemiddelingsplatform als Raisin.
De rente kan hoger liggen dan in Nederland. Vrij opneembare Europese spaarrekeningen bieden momenteel tot ongeveer 2,35 procent en voor een deposito van één jaar is rond 3,35 procent mogelijk. Het verschil met de Nederlandse grootbanken is daarmee aanzienlijk. Ten opzichte van kleinere Nederlandse banken is de winst beperkter.
Bij een buitenlandse bank loopt de uitbetaling via het garantiestelsel van het land waar de bank zijn vergunning heeft. Binnen de EU zijn de regels grotendeels gelijkgetrokken: spaargeld is in beginsel tot 100.000 euro per persoon per bank beschermd. DNB waarschuwt wel dat het bij een buitenlandse bank langer kan duren voordat spaarders hun geld terugkrijgen en dat de procedure minder eenvoudig kan zijn.
Dat buitenlandse garanties niet altijd probleemloos functioneren, bleek tijdens de financiële crisis van 2008. Het IJslandse depositogarantiestelsel kon Nederlandse spaarders bij Icesave niet zelf uitbetalen
Om te voorkomen dat zij jaren op hun geld zouden moeten wachten, schoot de Nederlandse Staat ongeveer 1,3 miljard euro voor. Sindsdien zijn de Europese regels voor depositogarantie aangescherpt.
Een ander aandachtspunt is de buitenlandse bronbelasting die een deel van het rentevoordeel kan wegnemen. In Duitsland, Frankrijk en Italië wordt voor Nederlandse spaarders doorgaans geen bronbelasting op rente ingehouden. In bijvoorbeeld Portugal en Letland wordt na het aanleveren van bewijs dat je fiscaal in Nederland woont 10 procent van de rente ingehouden.
Wordt te veel belasting ingehouden, dan kan terugvragen bij de buitenlandse fiscus nodig zijn. Dat kan omslachtig en tijdrovend zijn. Bij een beperkt rentevoordeel kan zo’n terugvordering de moeite nauwelijks waard zijn.
| Obligaties: meer rendement, maar ook meer belasting |
|
Wie meer uit zijn spaargeld wil halen, kan ook staatsobligaties of geldmarktfondsen overwegen. Maar wat houd je daarvan over na belasting? We vergelijken ze met een deposito. De fiscus behandelt spaargeld gunstiger dan beleggingen. Bij een deposito bedraagt de voorlopige box 3-heffing in 2026 ongeveer 0,46 procent van het belaste bedrag. Bij obligaties en geldmarktfondsen is dat 2,16 procent. De fiscus rekent namelijk met een hoger verondersteld rendement, ongeacht wat je daadwerkelijk verdient. Dat verschil telt op. Een deposito met 3,15 procent rente levert na deze belasting ongeveer 2,69 procent op. Een obligatie of geldmarktfonds moet ongeveer 4,85 procent verdienen om hetzelfde over te houden. Hierbij rekenen we met geld boven het heffingsvrije vermogen en laten we de tegenbewijsregeling buiten beschouwing. Ook de risico’s verschillen. Bij een deposito staat de rente vast. Obligaties kunnen in koers dalen als de marktrente stijgt of de uitgever in financiële problemen komt. Bij een geldmarktfonds daalt de opbrengst als de korte rente daalt. Beide beleggingen vallen buiten het depositogarantiestelsel. De tegenbewijsregeling kan de belastingrekening verlagen. Je moet dan aantonen dat je werkelijke rendement lager is dan het rendement waarmee de fiscus rekent. Daarbij telt je volledige box 3-vermogen mee, inclusief rente, dividend en koerswinsten of verliezen. Voor die berekening geldt geen heffingsvrij vermogen. Hoe de vergelijking uitpakt, hangt dus ook af van je andere vermogen en het rendement daarop. |
| Optie | Indicatief rendement | Opbrengst bruto op €100.000 | Box 3 | Netto opbrengst | Netto rendement |
| ABN Amro Direct Sparen | 1,25% | €1.250 | €461 | €789 | 0,79% |
| Centraal Beheer Renteplus | 1,70% | €1.700 | €461 | €1.239 | 1,24% |
| Garanti deposito 1 jaar | 3,15% | €3.150 | €461 | €2.689 | 2,69% |
| Buitenlandse spaarrekening | 2,35% | €2.350 | €461 | €1.889 | 1,89% |
| Buitenlands deposito 1 jaar - SME Bank | 3,35% | €3.350 | €461 | €2.889 | 2,89% |
| Eurozone staatsobligaties | 3,92% YTM | €3.920 | €2.160 | €1.760 | 1,76% |
| Geldmarktfonds | 2,44% | €2.440 | €2.160 | €280 | 0,28% |
Bron: berekeningen VEB. De tabel is een indicatieve vergelijking op basis van 100.000 euro vermogen boven het heffingsvrije vermogen en de voorlopige forfaitaire rendementen voor box 3 in 2026. Buitenlandse bronbelasting en de tegenbewijsregeling zijn niet meegenomen. Voor spaarrekeningen en deposito’s is de actuele rente gebruikt. Voor eurozone-staatsobligaties is de actuele yield to maturity van de iShares Core € Govt Bond UCITS ETF gebruikt; voor de geldmarkt-ETF het gerealiseerde 1-jaarsrendement van de Amundi Smart Overnight Return UCITS ETF. Deze maatstaven zijn niet rechtstreeks gelijk aan een gegarandeerd toekomstig jaarrendement.